trompet.nl - dé toonaangevende trompet site van nederland
  > home > geschiedenis - u bent nu hier  
   > de geschiedenis van de trompet
 

 

 

 

 

 

 

 


De trompet rondom de Middeleeuwen (tot 1400)


Een rechte metalen trompet zonder beker, kennelijk een gedegenereerde Romeinse Tuba, wordt al in de achtste eeuw afgebeeld in Ierse miniaturen. Kort na het jaar 1000 werd ze slanker en langer en kreeg een tamelijk wijde beker. Deze verbetering viel te danken aan de invloed van de Arabische (Sarazeense) trompetten, die de christelijke legers tijdens de kruistochten aantroffen in Spanje en Zuid-Italië. De Sarazeense officieren hadden hun eigen militaire band die qua grootte afhankelijk waren van hun rang. Sultan Baibars (1277) had bijvoorbeeld een 68 leden tellend orkest met: 20 trompetters, 4 schalmeien, 4 trommels en 40 pauken. Tijdens het gevecht speelde de band, zodat de soldaten het idee hadden dat alles goed ging.

Terwijl de Spanjaarden de Arabische naam 'al naffir' overnamen en omvormden tot 'anafil', gaven de Fransen de nieuwe trompet een eigen naam, Buisine, afgeleid van het Latijnse Buccina.
In Europa behielden de trompetters de oude sociale voorrechten die ze in de Oriënt al hadden gehad. Het recht trompetters te houden was beperkt tot de hoge adel en in latere tijd Ook tot de cavalerie ( die oorspronkelijk uit edellieden was samengesteld), en de vrije steden van het Duitse Keizerrijk. Daarom hing er een vaantje met het wapen van de vorst een de trompet.
De trompet ontwikkelde zich in twee afmetingen. In 1240 liet Keizer Frederik II, toen residerend in Arezzo in Italië, vier zilveren Tubae en één Tubeceta maken. Dit verkleinwoord was waarschijnlijk een formele versie van de inlandse term Trombetta, die enige decennia later voorkwam in een gedicht van Dante. Terwijl het instrument met de kleine afmeting een trompet werd, behield dat met de grotere afmetingen de oude Franse naam Buisine (Busine in het Middelhoog-Duits). Het woord Busine werd later omgevormd tot Bus-ne (eind Middeleeuws) en de moderne Duitse nam Posaune, na de 16e eeuw. Vergelijk het Nederlandse Bazuin.
Het mondstuk was de verwijding van de buis. Men kon er alleen de eerste vier natuurtonen mee spelen, in het lage register dus.


De Renaissance (1400-1600)

Kort voor 1400 ontdekten de instrumentbouwers een nieuwe techniek: het buigen van de buizen.
Voorheen hadden de Oer-Germanen, de Etrusken en de Romeinen hun gebogen Luren en Cornu's gegoten. In de Middeleeuwen kwamen de instrumentbouwers tot de ontdekking dat verschillende metalen verschillende smelttemperaturen hebben. Koper, dat steeds een hoofdbestanddeel van de legering was, smelt bij circa 1083 graden Celsius. Een messing legering (70% koper, 30% zink) smelt bij circa 900 graden Celsius, terwijl lood het smeltpunt heeft bij 327 graden C. De messing buis werd gevuld met vloeibaar lood. Het lood liet men stollen, waarna de buis gebogen kon worden. Hierna verwarmde men de buis, zodat het lood weer vloeibaar werd en verwijderd kon worden. Het ontstane bochtje werd aan andere buizen vastgemaakt.
Er ontstonden twee nieuwe trompetten:
1) Een figuur op een gebeeldhouwde koorzetel in de kathedraal van Worchester (1397) toont een gewonden trompet in een nauwe S-vorm. Niet veel later werden de twee bochten van de 'SI op de moderne manier boven elkaar gelegd. De Engelsen noemden deze trompet de Clarion, de rechte noemde ze de trompette.
Na ongeveer 1500 veranderde de trompet niet veel meer. Ze leek op onze moderne bazuin, alleen was de boring en de beker nauwer (enge mensuur), het metaal dikker en het mondstuk zwaarder .
In 1511 beelden Sebastian Vidungs houtsneden twee verschillende instrumenten af, een Felltrumet en een iets slankere Clareta. Dit komt overeen met het latere onderscheid tussen Principal en Clarin trompetten, de Feldtrompeter en de Karnmertrompeter .
Van de Feldtrompeter werd niet verwacht dat zij muziek lazen. Zij speelden fanfares en lange tonen in het middelste en het lage register. De Kammertrompeter daarentegen waren musici en hooggewaardeerde artiesten die melodieën speelden in het hoge register waar de natuurtonen dicht genoeg bij elkaar liggen om een samenhangende reeks te produceren. Ze speelden uitsluitend in dit hoge register, omdat het 'nobele gilde', waartoe zij behoorden, hen verbood het lagere register (van de Principaalblazers) te gebruiken. Omgekeerd was het de Principaalblazers verboden gebruik te maken van het hoge register. Doordat de Clarinblazer zijn leven lang gebonden was aan het hoge register, werden zijn lippen en adem geoefend. Hij gebruikte hiervoor een ondiep mondstuk met een brede rand, dat goede steun verleende aan de lippen, waarvan een grote inspanning werd vereist.

2) De schuiftrompet ontstond ongeveer gelijktijdig met het buizen buigen. De schuif was in eerste instantie geen U-vormige schuif. zoals bij de tegenwoordige schuiftrombone, maar bestond uit een verlenging van het mondstuk die in de hoofdbuis zat. Niet de schuif maar het totale instrument werd in- en uitgeschoven. De trompettist moest het mondstuk tegen zijn lippen houden met twee vingers van de linker hand terwijl hij met de rechter hand het instrument heen en weer schoof. Dit is ongetwijfeld de 'tromba da tirarsi', die J.S. Bach voorschreef in enkele van zijn cantates.
Tot ver in de Barokperiode was de schuiftrompet hét instrument van de torenwachters. In het Berlijnse museum wordt een schuiftrompet uit 1651 bewaard.


> Samenvatting van Middeleeuwen en Renaissance

Gedurende de Middeleeuwen en de Renaissance werd de trompet hoofdzakelijk als signaalinstrument in het leger gebruikt. De rondtrekkende trompetters, die sociaal niet hoger geclassificeerd waren dan andere muzikanten, traden gedurende de 13e en 14e eeuw aan het Hof of verbonden zich aan een stad. Aan het Hof werden hun plichten al vroeg duidelijk gedefinieerd. De in 'Leges Palatinae' van 1337 omschreven taken golden voor alle hoftrompettisten tot ca. 1800. Spoedig werden trompetters een symbool voor de vorstenhuizen.
De schuiftrompet wordt gebruikt als basisinstrument van de zgn. Alta-kapella en als contratenor in de kerkmuziek. Uit de schuiftrompet wordt de schuiftrombone ontwikkeld. De hoftrompettisten blijven echter de natuurtrompet gebruiken. Tussen 1460 en 1470 hadden zij de registers van de natuurtrompet al verdeeld. De blazers van de hoge partijen speelden in het Clareta-(vanaf 1650) het Clarinoregister.
De verdragende Bourdonachtige muziek van het Hoftrompetterkorps is een akoestisch symbool van vorstelijk aanzien. De vroegst bewaarde trompetten uit deze tijd stammen uit de 15e eeuwen hebben een rechte vorm. De vroegst bewaard gebleven gewonden trompetten zijn in 1578 door Jacob Steiger in Bazel gebouwd.
Vanaf 1500 is Nurenberg het leidende centrum, wat de bouw betreft, van de koperblaasinstrumenten.






> Vroege instrumenten uit het primitieve en voorhistorische tijdperk tot aan de val van Rome (476 na Chr.)
> Enige Aziatische vormen
> De trompet vanaf de val van Rome (tot ca. 1100)
> De trompet rondom de Middeleeuwen (tot 1400) en de Renaissance (1400-1600)
> De Zinkenfamilie
> De Gouden Periode van de trompet (1600-1750)
> De crisistijd van de trompet (1750-1815) en het hoogtepunt van het Clarinoblazen
> De Klassieke Periode
> De Moderne Tijd

 

  geschiedenis
  mondstukken
  interviews
  forum
  docenten
  vraag & aanbod
  links database
mailing-list
  contact

  www.trombones.nl
 


Copyright © trompet.nl, Alle Rechten Voorbehouden.