bron:
http://www.fanfaresintbarbara.nl/Ademsteun, wat doe je ermee --------------------------------------------------------------------------------
Misschien weet je alles al over ademsteun en beheers je het volkomen. Zo niet dan kan ik je aanraden de hieropvolgende gearrangeerde high-lights (samenvatting) uit het boekje 'Houding, adem en keel' van Bram Balfoort, aandachtig door te nemen.
Of je nu zingt, spreekt of blaast, het is in alle drie gevallen precies hetzelfde:
het gaat veel beter als je je adem volkomen onder controle hebt. Dit kun je bereiken door het doen van een aantal niet al te moeilijke oefeningen. Tijdens die oefeningen ga je steeds na wat er precies gebeurt en wat je lijfelijk voelt. De eerste oefeningen zijn om de adem zo laag mogelijk te krijgen.
Oefening 1:
Ga op de grond, bank of bed liggen, op de rug, en trek de voeten naar de billen, dus de knieën omhoog. Leg de handen op de buik en laat de ellebogen zwaar opzij hangen. Tuit vervolgens de lippen tot op O of OE, waardoor de lucht naar binnen wordt gezogen. Zo wordt een dikke kolom lucht naar binnen gezogen en wordt ook de keel gemakkelijk geopend. Gebeurt dit goed dan rijst de buik, met daarop de handen, naar boven en wordt dus dikker. Je mag niet spannen of persen of de buik naar buiten duwen. Let er vooral op dat de borstkast niet meeademt, maar in rust blijft. Alleen de buik gaat dus op en neer. Je zult merken dat de buik na enige tijd automatisch op de ritme van de adem beweegt.
Oefening 2:
Dezelfde als oefening 1, maar nu staande. Ga in een gemakkelijke houding staan, de knieën niet overstrekt, ook niet doorzakken, maar licht beweegbaar houden. Leg de handen op de buik, laat schouders en ellebogen zwaar afhangen zodat deze niet omhoog gaan bij de inademing. Vervolgens de lucht weer inzuigen op een O of OE, waarbij je probeert zowel buik als billen te laten vallen. Concentreer je daar alleen op, zodat je het gevoel krijgt alsof buik en billen naar de grond vallen. En de borstkast mag weer niet meebewegen.
Oefening 3:
Ga staan met het bovenlijf licht voorover; leg de handen in de lendenen,tussen bekken en ribben; de duimen naar voren, de vingers naar achteren. Adem weer in (zie oef. 1) en probeer opnieuw buik en billen te laten vallen. Lukt dit, dan zul je merken dat de lendenen uitzetten, dus ruimer worden. Dit is een heel belangrijk punt, d r moet je ruimte krijgen en van d ruit komt de ontspanning.
Wat is nu precies de ademsteun?
Ademsteun is het gevoel dat de uitademingsspieren in de buik de ademhaling regelen en beheersen. Ongeveer 2-3 cm onder de navel zit het punt dat bij de uitademing achterblijft, en naar buiten wordt gedrukt, ook als de uitademing doorgaat. De buik plat zich steeds meer af, alleen d t punt komt achteraan. Het blijft tot het einde toe gefixeerd en gesteund. Met dit gevoel beheers je het middenrif en bepaal je hoeveel lucht je af wil geven. In het begin zul je erbij nadenken, later gaat het automatisch. Hieronder volgen de oefeningen.
Oefening 4:
Ga staan als in oefening 2 en adem in; plaats een vinger 2-3 cm onder je navel. Druk de buik tegen de vinger terwijl je langzaam uitblaast. Let er op dat de buik gedurende de hele uitademing tegen de vinger drukt, niet verslappen dus. Als je uitgeademd bent, adem dan weer in op een O, stop weer, en herhaal de oefening verschillende malen en probeer de uitademing steeds langzamer te laten verlopen.
Oefening 5:
Adem weer in, zet de vinger weer tegen de buik en blaas met stootjes uit, waarbij de vinger iedere keer met een schokje buitenwaarts wordt gedrukt. Begin met 3 maal en voer dit langzaam tot 10, 15 of 20 maal op. Aanvankelijk geven deze oefeningen een gevoel van erg veel kracht, later kan men het zo reguleren dat het heel fijn is af te stellen, zodat het middenrif met geringe steun te regelen is. Mocht het bovenstaande nog niet duidelijk te voelen zijn, ga dan voorover op de grong liggen met de armen onder het voorhoofd en de hielen naar buiten gedraaid. Adem in en blaas dan langzaam uit met de buik tegen de grond gedrukt. In het dagelijks leven kan de ademsteun ook zeer goed van pas komen, zoals bij het traplopen, tegen een helling op fietsen of bij het tillen van zware voorwerpen. Als de ademsteun in het dagelijks leven veel wordt toegepast, dan merk je dat dit bij het blazen, spreken of zingen enz. ook een gewoonte gaat worden.