Simpelweg
gezegd:
Door eenzelfde ambouchure aan te houden bereik je het voordeel dat je klank behouden blijft en dat je flexibiteit bevordert wordt. Met dat laatste bedoel ik de (bind)intervallen.
Je moet er naar streven dat je tijdens het spelen nog ruimte overhebt om je onderkaak verder van of dichter bij elkaar te brengen. Ook "het gaatje" tussen je lippen dient niet te klein te zijn.
Verder moet de luchtstroom zo recht mogelijk in je mondstuk geblazen worden. Als je je mondstuk tijdens het spelen verzet, blaas je tegen de onder- of bovenkant van de cup. Hiermee verlies je compressie dus klank (dus ook de ademsteun is van belang).
Ook de aanzet is van belang. Je plaatst het puntje van de tong als ware tegen de bovenkant van je ondertanden. En met je midden gedeelte van de tong sluit je de luchtstroom alleen maar af, of je laat deze juist door. Dus geen ta-ta-ta, maar da-da-da.
Eigenlijk moet je zorgen voor een voortdurende luchtstroom die je alleen maar op het ritme van je nootjes onderbreekt.
Je begrijp nu dat bij het verzetten van je mondstuk deze vaardigheden in gedrang komen.
Als je hierop gaat studeren zal je dat in het begin niet meevallen. Het zal daarom een poosje duren voordat je het voor elkaar krijgt zo te spelen.
Advies

: Studeer hier op, maar als je in het orkest zit speel je gewoon hoe je gewend was. Na concequentie studie zul je merken dat je vanzelf deze methode toe gaat passen, omdat dat nou eenmaal het prettigst speelt.
En neem een goede

docent, die je kan begeleiden, dat is echt onontbeerlijk.
Succes!
Enkele nuttige oefen methoden: Stamp en Quinque