|
Ik doe een poging:
Stel, we hebben een buis van 1 meter lang, die een toon voortbrengt die we even c3 noemen.
Een ventiel in de buis zorgt voor een verlenging van 1 meter, waardoor de totale lengte op 2 meter komt. De buis wordt bij het indrukken van het ventiel 2 keer zolang, de toon wordt lager, en wel wat wij muzikanten een oktaaf noemen. Onze nieuwe toon noemen we, geheel volgens verwachting c2.
Tot zover geen probleem. Een verdubbeling van de buislengte halveert de frequentie van de grondtoon. Om die reden klinkt een trombone in Bb een oktaaf lager dan een trompet in Bb.
Nu plaatsen we in onze buis met ventiel een tweede ventiel, die het geheel eveneens een meter langer maakt. Ook bij het indrukken van ons tweede ventiel wordt de lengte verdubbeld, en de toon die daaruit voortkomt is dan ook wederom een c2.
Ook met dit tweede ventiel voorzie ik geen problemen, van hetzelfde laken een pak.
Nu komt het, we gaan de ventielen tegelijk indrukken, eerst ventiel 1, onze toon verspringt van c3 naar c2, en dan ventiel twee, en wat gebeurt er: de totale buislengte, voorheen 2 meter, wordt nog een meter langer, te weten 3 meter. U voelt hem al, de verhouding 3 staat tot 2 is géén verdubbeling, en dus wordt onze toon geen beoogde c1, maar iets in de buurt van (hou me ten goede) een f1. Grote consternatie alom!!!
Want ons mooie tweede ventiel, zojuist nog goed voor een toonverlaging van een oktaaf, verlaagt in combinatie met het eerste nog maar een kwint!
Nu zijn bij een echte trompet de buizen verhoudingsgewijs korter, ze verlagen geen oktaaf maar respectievelijk een kleine secunde, een grote secunde en een kleine terts. Maar toch, bij indrukken van het eerste ventiel in combinatie met het derde, verlaagt dit eerste ventiel geen grote secunde meer, maar een aanzienlijk kleiner interval.
Om deze reden maken de meeste trompetbouwers de derde pomp iets langer, en wel zoveel dat de combinatie van het tweede met het derde ventiel precies stemt. Speelt u maar eens een e (onderste lijn van de notenbalk) met het eerste en het tweede ventiel samen, en daarna met het derde ventiel. De eerste e is fractioneel te hoog, en de tweede te laag. Het verschil is evident.
Ik ben me er terdege van bewust dat dit de puur natuurkundige benadering van het vraagstuk is. Deze theorie is eigenlijk alleen van toepassing op een ongebogen buis van constante doorsnede. Omdat een trompet zowel gebogen is als een enigszins conisch verloop heeft, zijn er een heleboel factoren van invloed op de stemming die hier helemaal niet aan bod komen. Voor dit soort dingen verwijs ik graag naar publicaties van Renold Schilke, en een belangrijke belg, ik ben zijn naam even kwijt, was het niet Victor Mahillon?
Als er mensen zijn die dit verhaal willen corrigeren dan wel completeren, schroom vooral niet.
Groeten,
Roel
|