|
Harpje, het meeste van de muziek die je noemt is niet echt atonaal in de engste zin van het woord. Ligeti bijvoorbeeld gebruikt in veel van zijn stukken wel degelijk een tonaliteit, alleen zit er een heel ander systeem in dan in de traditionele diatonische muziek, bijvoorbeeld clusters en kwarttoon-melodien, of een reductie tot een enkele toon en octaven ervan (een soort een-toons systeem). Twaalftoons-muziek (dodekafonie) is ook niet atonaal. Er wordt alleen een ander systeem gebruikt om de verschillende toonhoogtes te ordenen, een van de meest rigide tonaliteitssystemen die er zijn trouwens. Écht atonaal wordt het pas als je bij het componeren geen aandacht geeft aan de daadwerkelijke toonhoogtes, maar alleen werkt met (qua toonhoogte ongerelateerde) geluiden. In dat genre is erg weinig muziek geschreven, omdat het een paar van de krachtigste middelen die je als componist tot je beschikking hebt uitsluit.
Girlpower: wereldmuziek is alles wat beknopte westerlingen niet snappen. Een erg arrogant woord als je mij vraagt, zo van er zijn honderden (Westerse) genres, en dan nog de rest, dat noemen we dan maar wereldmuziek. Dat is de akelige definitie. De wat nettere versie: wereldmuziek bevat alle muziek die gebaseerd is op of sterke invloeden gebruikt uit niet-westerse muziekculturen, met name uit Latijns-Amerika en de Cariben, Afrika, Azië, Australië (de muziek van de Aboriginals), Arabië, en Oost-Europa. Enkele oude Westerse muziektradities worden ook soms bij wereldmuziek gerekend, zoals bijv. de Flamenco. In de praktijk worden met 'wereldmuziek' vaak de volgende stijlen aangeduid: Turkse muziek, Indiase muziek ('Indiaas klassiek'), Westafrikaanse djembé- en doundoun-muziek, Caribische muziekstijlen (Cuba, Puerto Rico (bomba, plena), Dominicaanse Rep. (merengue), Jamaica (reggae, ska, dub, ragga), Ned. Antillen), Latijns-Amerikaanse muziek (Andesmuziek, muziek uit Mexico (mariachi e.a.), Colombia (cumbia), Venezuela, Perú (landó, festejo, ...), Argentina (tango)) Gamelan-muziek (Java), Braziliaanse muziek (samba, baião, londó, maracatú, bossa (nova), chôro, partido alto...).
De meeste van deze stijlen zijn minstens net zo breed en diep als bijv. popmuziek, maar omdat we hier nou eenmaal een behoorlijke filter op hebben (met dank aan de muziekindustrie), gaan ze allemaal het grabbelbakje 'wereldmuziek' in.
Ik speel zelf het liefst Cubaanse muziek (timba, son, montuno, rumba, cha-cha, mozambique, bolero, noem maar op). Simpelweg omdat die muziek mijn hart raakt zoals geen andere muziek dat tot nu toe heeft kunnen doen.
Elke stijl heeft zijn bijzonderheden, en die moet je kennen en beheersen als je die stijl geloofwaardig neer wil zetten. Bij de meeste stijlen hoort een specifieke opvatting van ritmiek en timing, en een apart geluidsideaal. Jazz moet vooral 'smooth' klinken, fluwelen lijnen met een lekkere losse swing, en soepele legato. Doe hetzelfde in een klassiek orkest, en je wordt uitgelachen. Daar gaat het dus meer om een beschaafd zuiver geluid, goede intonatie, zo gepolijst en nauwkeurig mogelijk dat neerzetten wat op papier staat.
Maar uiteindelijk moet je vooral de energie en de 'vibe' van een stijl in je opnemen, en dan hard studeren om die om te zetten in muziek. Doordat de bovengenoemde 'wereldmuziek' stijlen hier een beetje gepresenteerd worden als 'een pot nat', ontbreekt vaak de nodige respect voor die tradities, en gaan musici (vaak onbewust) de energie en speelwijze van hun eigen stijl (meestal jazz of pop) toepassen op andere stijlen, en maar oppervlakkige aanpassingen toe te voegen. Je hoort bijv. vaak blazers spelen met een ontzettend goede salsa-ritmesectie, dan mogen ze een solo spelen, en wat je hoort zijn de bekende bebop lijnen, met een rare timing en voor wie er een beetje verstand van heeft geen enkel benul van hoe de ritmiek in elkaar zit. Je kan niet 20 jaar lang één stijl bestuderen en daarna verwachten dat je binnen twee maanden zomaar een andere stijl kan neerzetten.
|